Uitspraak
Datum uitspraak: 26 maart 2019
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Raad van State
Bij besluit van 9 mei 2018 verklaarde de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelde op 3 juli 2018 dat dit onterecht was en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris een nieuw besluit nam op 14 september 2018, wederom niet-ontvankelijk.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat hij alle relevante feiten, waaronder de minderjarigheid van de vreemdeling, zijn psychische problemen en familiebanden, zorgvuldig had meegewogen conform artikel 3 van Pro het IVRK. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris niet aan deze verplichting had voldaan.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens werd het besluit van 14 september 2018 vernietigd omdat de grondslag daarvan was komen te vervallen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.