ECLI:NL:RVS:2019:907
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Vergoeding proceskosten na niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens persoonsverwisseling
Bij besluit van 31 augustus 2018 verklaarde de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling niet-ontvankelijk omdat Zwitserland hem al internationale bescherming had verleend. De vreemdeling stelde dat die bescherming aan zijn in Zwitserland wonende broer was verleend en dat sprake was van persoonsverwisseling. Ter onderbouwing bracht hij zijn broer als getuige ter zitting.
De rechtbank oordeelde dat de kosten van de getuige voor eigen rekening van de vreemdeling kwamen, omdat hij schadebeperkend had kunnen handelen door bijvoorbeeld het Zwitserse dossier op te vragen. De rechtbank vond dat de getuige geen verklaring had afgelegd die het standpunt van de vreemdeling ondersteunde.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de enkele verschijning van zijn broer als getuige al voldoende was om het bestaan van zijn broer in Zwitserland vast te stellen en daarmee het beroep van de staatssecretaris op het interstatelijk vertrouwensbeginsel te betwisten. De Raad van State oordeelde dat het meebrengen van de broer als getuige redelijk was en dat de gemaakte reis- en verblijfkosten eveneens redelijk waren.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om vergoeding van proceskosten toe. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 2.055,55, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De Raad van State wijst het verzoek om proceskostenvergoeding toe en veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 2.055,55.