ECLI:NL:RVS:2019:830

Raad van State

Datum uitspraak
12 februari 2019
Publicatiedatum
13 maart 2019
Zaaknummer
201900084/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden tegen uitspraak rechtbank in vreemdelingenzaak

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 22 november 2017 werd afgewezen. Hiertegen maakte zij bezwaar, dat op 5 april 2018 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 3 december 2018 het beroep ongegrond verklaarde.

De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In haar hoger beroep gaf zij aan waarom zij graag in Nederland wilde blijven, maar gaf zij geen inhoudelijke gronden aan waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Volgens artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet is het noodzakelijk dat het hoger beroep gemotiveerd wordt met redenen waarom de uitspraak onjuist is.

Daarom verklaarde de Raad van State het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 12 februari 2019.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van inhoudelijke gronden tegen de uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

201900084/1/V3
Datum uitspraak: 12 februari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 december 2018 in zaak nr. 18/3079 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 5 april 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 december 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.       Wat de vreemdeling in hoger beroep naar voren heeft gebracht, richt zich niet tegen de aangevallen uitspraak. De vreemdeling heeft alleen uitgelegd waarom zij graag in Nederland wil blijven, maar niet uitgelegd waarom de uitspraak van de rechtbank volgens haar niet juist is. Dat moet volgens artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet wel. Daarom kan haar hoger beroep niet in behandeling worden genomen.
2.       Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
3.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Verheij   w.g. Ahmady-Pikart
lid van de enkelvoudige kamer  griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2019
638.