ECLI:NL:RVS:2019:727
Raad van State
- Hoger beroep
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom wegens overtreding omgevingsvergunning en APV bij terrasexploitatie
Het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland legde appellante twee lasten onder dwangsom op vanwege het exploiteren van een terras op een perceel te Maasland, in strijd met de omgevingsvergunning van 26 mei 2015 en de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De eerste last verplichtte appellante de horeca ondergeschikt aan de winkelfunctie en inpandig te voeren, de tweede last verbood het uitzetten van het terras.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat zij handelde in strijd met de vergunning en de APV. Appellante voerde diverse bezwaren aan, waaronder onvoldoende motivering van het college bij afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, onterecht betrekken van een tekening bij de vergunning, en schending van het gelijkheidsbeginsel.
De Raad van State oordeelt dat het college voldoende heeft gemotiveerd, de tekening deel uitmaakt van de vergunning, en dat appellante geen horecabedrijf exploiteert zoals bedoeld in de APV, waardoor het terras niet is toegestaan. Tevens is geen sprake van bijzondere omstandigheden die handhaving zouden verhinderen. De bezwaren van appellante worden verworpen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit tot oplegging van lasten onder dwangsom wegens het exploiteren van een niet-vergund terras.