ECLI:NL:RVS:2019:69
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning ondanks gezinsleven met kleinzoon op grond van artikel 8 EVRM
De vreemdeling, van Albanese nationaliteit, had sinds 2014 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid. Deze vergunning werd op 17 juli 2017 ingetrokken wegens beëindiging van de relatie met haar partner. De vreemdeling stelde dat haar gezinsleven met haar in Nederland geboren kleinzoon op grond van artikel 8 EVRM Pro een verblijfsrecht rechtvaardigt.
De staatssecretaris erkende het beschermwaardige gezinsleven tussen de vreemdeling en haar kleinzoon, maar vond dat het Nederlandse staatsbelang zwaarder woog. De vreemdeling woonde 55 jaar in Albanië en verbleef pas kort in Nederland, waar zij samenwoont met haar dochter, schoonzoon en kleinzoon. Zij is niet de enige verzorger en heeft geen economische banden met Nederland. Tevens heeft zij geen objectieve belemmeringen aannemelijk gemaakt om het gezinsleven vanuit Albanië voort te zetten.
De vreemdeling voerde aan dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de inbreuk op haar gezinsleven gerechtvaardigd is, en dat zij een bijdrage levert aan de opvoeding zonder een beroep op publieke middelen. Ook stelde zij dat terugkeer naar Albanië moeilijk is vanwege het ontbreken van een sociaal netwerk en de psychische gesteldheid van haar zoon.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris de belangenafweging terecht in haar nadeel heeft laten uitvallen, mede gelet op jurisprudentie van het EHRM en eerdere uitspraken van de Afdeling. De vreemdeling had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet in Albanië kan functioneren of dat haar hulp onmisbaar is voor de verzorging van het kind. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.