ECLI:NL:RVS:2019:631
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering verbeurde dwangsommen ondanks lopend bezwaar omgevingsvergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas legde aan appellant een last onder dwangsom op wegens het niet beëindigen van de bewoning van een kantoorpand, met een maximum van € 50.000,00. Appellant maakte geen bezwaar tegen het handhavingsbesluit, maar betaalde niet binnen de gestelde termijn, waardoor de dwangsommen verbeurd raakten.
Appellant stelde dat het college niet bevoegd was tot invordering omdat de verjaringstermijn was verstreken en dat het college niet in redelijkheid tot invordering had kunnen besluiten vanwege een lopende bezwaarprocedure tegen de weigering van een omgevingsvergunning en onduidelijkheid over het bestemmingsplan. De Raad oordeelde dat de verjaring door stuiting was onderbroken door aanmaning en dwangbevel, waardoor het college bevoegd bleef tot invordering.
Verder werd geoordeeld dat het belang van invordering zwaarwegend is en dat slechts in bijzondere omstandigheden van invordering kan worden afgezien. De aangevoerde omstandigheden, waaronder de lopende bezwaarprocedure en de discussie over het bestemmingsplan, vormden geen bijzondere omstandigheden. De rechtbank had de invordering dan ook terecht bevestigd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Limburg bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak dat het college bevoegd was tot invordering van de verbeurde dwangsommen en verklaart het hoger beroep ongegrond.