ECLI:NL:RVS:2019:580
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering risico terugkeer
De zaak betreft een minderjarige Yezidi-vrouw uit Sinjar, Irak, die in 2014 vluchtte vanwege de inval van ISIS. Na verblijf in een vluchtelingenkamp in de Koerdische Autonome Regio vroeg zij een verblijfsvergunning asiel aan, die door de staatssecretaris op 5 oktober 2018 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich deugdelijk heeft gemotiveerd over het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer. De staatssecretaris heeft namelijk geen standpunt ingenomen over de specifieke verblijfsplaats in Irak, terwijl de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zij als Yezidi niet naar Sinjar of het vluchtelingenkamp kan terugkeren.
Het hoger beroep wordt daarom gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris worden vernietigd. De staatssecretaris moet opnieuw beslissen met inachtneming van de motiveringsplicht. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.536,00.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.