ECLI:NL:RVS:2019:460

Raad van State

Datum uitspraak
15 februari 2019
Publicatiedatum
18 februari 2019
Zaaknummer
201900594/3/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 31 Vw 2000Art. 72 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting vreemdeling na vernietiging verblijfsvergunningbesluit

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die bij besluit van 8 december 2015 door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank verklaarde dit besluit op 21 december 2018 gegrond en vernietigde het, waarbij zij bepaalde dat de aanvraag ongegrond werd afgewezen volgens artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals destijds van toepassing.

De vreemdeling verzocht vervolgens bij de Raad van State om een voorlopige voorziening om haar uitzetting te voorkomen totdat op haar bezwaar tegen de voorgenomen uitzetting zou zijn beslist. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de gronden van de vreemdeling onvoldoende waren om de rechtmatigheid van de uitzetting in twijfel te trekken.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en oordeelde dat er geen aanleiding was tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter N. Verheij op 15 februari 2019.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting van de vreemdeling is afgewezen.

Uitspraak

201900594/3/V1.
Datum uitspraak: 15 februari 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) van:
[de vreemdeling],
verzoekster.
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij tussenuitspraak van 5 januari 2016 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een in die uitspraak geconstateerd gebrek aan dat besluit te herstellen.
Bij uitspraak van 21 december 2018 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 8 december 2015 door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), zoals die bepaling luidde ten tijde van de asielaanvraag, en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Bij uitspraak van 13 februari 2019 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling deze uitspraak bevestigd en het verzoek van de vreemdeling tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
De vreemdeling heeft bij brief van 12 februari 2019 krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen haar voorgenomen uitzetting op 17 februari 2019 en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij niet wordt uitgezet totdat op het bezwaarschrift is beslist.
2.    Gelet op hetgeen in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 13 februari 2019 in zaak nr. 201900594/1/V1 en 201900594/2/V1 is overwogen en omdat hetgeen de vreemdeling in haar verzoek heeft aangevoerd geen grond biedt om niet langer van de rechtmatigheid van de voorgenomen uitzetting uit te gaan, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.
w.g. Verheij    w.g. De Groot
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2019
210.