ECLI:NL:RVS:2019:4478
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 22 augustus 2017 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 13 augustus 2018 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze beslissing gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, een bedrag van €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 30 december 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.