ECLI:NL:RVS:2019:4473

Raad van State

Datum uitspraak
24 december 2019
Publicatiedatum
30 december 2019
Zaaknummer
201908037/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000Art. 94 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak vreemdelingenbewaring wegens termijnoverschrijding en toekenning schadevergoeding

De vreemdeling werd op 10 oktober 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen deze maatregel stelde hij beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch. De rechtbank verklaarde het beroep op 29 oktober 2019 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State. Deze constateerde dat de rechtbank niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van artikel 94, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 uitspraak had gedaan, aangezien de uitspraak een dag te laat volgde. Deze termijnoverschrijding maakte de bewaring onrechtmatig vanaf 29 oktober 2019.

De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van de uitspraakdatum werd opgeheven. Tevens werd aan de vreemdeling een schadevergoeding van € 4.400 toegekend en werden de proceskosten van € 1.536 aan de vreemdeling vergoed.

Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is onrechtmatig verklaard, de bewaring is opgeheven en er is een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

201908037/1/V3.
Datum uitspraak: 24 december 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 29 oktober 2019 in zaak nr. NL19.24083 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 29 oktober 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Habib-Portier, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.    Wat de vreemdeling in grieven 1, 2, en 4 tot en met 8 heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.    In grief 3 klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank niet binnen de in artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000 gestelde termijn uitspraak heeft gedaan. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 21 oktober 2019 gesloten. Gelet op het bepaalde in artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000 was 28 oktober 2019 de laatste dag van de termijn voor het doen van uitspraak. De rechtbank heeft pas op 29 oktober 2019 uitspraak gedaan. Daarmee is de in deze bepaling gestelde termijn overschreden. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die deze overschrijding rechtvaardigen. Daarom is de bewaring van de vreemdeling met ingang van 29 oktober 2019, de dag nadat de termijn voor het doen van de uitspraak was geëindigd, onrechtmatig.
De grief slaagt.
3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring wordt opgeheven met ingang van vandaag. Ook heeft de vreemdeling recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 29 oktober 2019 in zaak nr. NL19.24083;
III.    verklaart het beroep gegrond;
IV.    bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van vandaag wordt opgeheven;
V.    kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 4.400,00 (zegge: vierduizend vierhonderd euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.536,00 (zegge: vijftienhonderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.
w.g. Verheij    w.g. Van Leeuwen
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2019
373-873.