ECLI:NL:RVS:2019:4332
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- N. Verheij
- E.J. Daalder
- Rechtspraak.nl
Vaststelling planschadevergoeding na wijziging bestemmingsplan Bergen
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Bergen om een tegemoetkoming in planschade wegens een bestemmingsplanwijziging die zijn perceel betrof. Het college wees dit verzoek af, waarna appellant bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank stelde de zaak deels in het voordeel van appellant vast, vernietigde het besluit maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling beoordeelde uitgebreid de deskundigenrapporten, waaronder taxaties en planvergelijkingen van verschillende partijen. De deskundige van de rechtbank, De Bont, taxeerde het perceel zorgvuldig en concludeerde dat appellant niet in een planologisch nadeliger situatie verkeerde. De Afdeling volgde dit oordeel en verwierp de bezwaren van appellant tegen de taxatie en planvergelijking.
Wel oordeelde de Afdeling dat de rechtbank onjuist had gehandeld bij de proceskostenvergoeding, met name door onjuiste samenvoeging van zaken en het niet correct vergoeden van BTW op deskundigenkosten. De Afdeling vernietigde daarom het deel van de uitspraak over proceskosten en stelde een hogere vergoeding vast. Het incidenteel hoger beroep van het college werd ongegrond verklaard.
De Afdeling veroordeelde het college tot betaling van de proceskosten in hoger beroep en tot terugbetaling van het griffierecht aan appellant. Hiermee is de procedure afgerond met een bevestiging van de inhoudelijke afwijzing van de planschadevergoeding, maar met een correctie en verhoging van de proceskostenvergoedingen.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant is gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van het college ongegrond en de proceskostenvergoeding verhoogd.