ECLI:NL:RVS:2019:4301
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- D.A. Verburg
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens verzwijgen relevante identiteitgegevens
Appellant diende in 2014 een verzoek in tot verlening van het Nederlanderschap, dat werd toegekend. Later stelde de staatssecretaris het Nederlanderschap in te trekken omdat appellant bij zijn verzoek relevante gegevens over zijn identiteit had verzwegen, namelijk dat hij in Iran onder meerdere namen en geboortedata geregistreerd stond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de intrekking ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet heeft verzwegen dat hij dubbel geregistreerd stond en dat alle persoonsgegevens juist zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat appellant niet de vereiste openheid van zaken heeft gegeven, omdat hij tijdens eerdere procedures ontkende andere namen te voeren en niet melding maakte van de dubbele registratie.
Verder stelde appellant dat hij de geboorteakte met de andere persoonsgegevens al in 2007 bezat en dat de staatssecretaris ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de gegevens in het Eurodac-systeem. De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat appellant relevante feiten heeft verzwegen en dat de intrekking niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
De Afdeling bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap van appellant wordt bevestigd wegens het verzwijgen van relevante persoonsgegevens.