ECLI:NL:RVS:2019:426
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.A. Hagen
- F.D. van Heijningen
- E.J. Daalder
- Rechtspraak.nl
Vernietiging last onder dwangsom voor modelvliegclub wegens onjuiste beperking starten en landen
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht verleende MVC een tijdelijke omgevingsvergunning voor het gebruik van een perceel als modelvliegterrein met voorschriften over vlieghoogte en vlieggebied. Appellant sub 1, eigenaar van aangrenzende percelen, verzocht handhaving tegen overtredingen waarbij modelvliegtuigen buiten de vliegcirkel en onder 20 meter hoogte vlogen, wat schrikreacties bij zijn koeien veroorzaakte.
Na eerdere procedures stelde de Afdeling bestuursrechtspraak dat het college bevoegd was handhavend op te treden tegen het vliegen onder 20 meter buiten het modelvliegterrein tijdens starten en landen. Het college legde een last onder dwangsom op die MVC verbood te starten en landen aan de oostzijde van het vliegterrein. Zowel appellant sub 1 als MVC stelden beroep in tegen dit besluit.
De Afdeling oordeelde dat de last onvoldoende duidelijk was over de begrippen starten en landen, maar dat dit geen reden was voor vernietiging. Wel werd geoordeeld dat het verbod om geheel te starten en landen aan de oostzijde van het terrein verder ging dan de vergunning voorschreef, die alleen een minimale vlieghoogte van 20 meter buiten het terrein voorschrijft. Dit deel van de last werd vernietigd wegens strijd met artikel 5:32 Awb Pro.
De overige beroepen werden afgewezen, waaronder het bezwaar tegen de hoogte van de dwangsom en het beroep dat het college van handhaving had moeten afzien. De Afdeling veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan beide appellanten en tot vergoeding van griffierechten. Hiermee is de procedure over het handhavingsverzoek afgerond.
Uitkomst: Het besluit van 3 april 2018 wordt vernietigd voor zover MVC is gelast zich aan de oostzijde van het vliegterrein te onthouden van starten en landen bij hogere vlieghoogte dan 20 meter.