ECLI:NL:RVS:2019:416
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- B.P. Vermeulen
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vergunning met 85% reductie voor aal- en schubvisserij op het IJsselmeer
De staatssecretaris verleende aan appellant een vergunning voor aal- en schubvisserij met staande netten op het IJsselmeer, waarbij een reductie van 85% op het aantal netten werd opgelegd. Appellant maakte bezwaar tegen deze beperking en voerde aan dat de reductie onterecht en disproportioneel was, mede omdat de oorzaken van de achteruitgang van visbestanden niet waren betrokken en er geen compensatie werd geboden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het besluit van de staatssecretaris zorgvuldig was voorbereid en gemotiveerd, dat het WMR-advies waarop het besluit was gebaseerd inzichtelijk was en niet onbegrijpelijk, en dat appellant onvoldoende concrete aanknopingspunten had aangedragen om dit te betwijfelen.
Verder werd geoordeeld dat de reductie van 85% ook voor baars en snoekbaars gerechtvaardigd was, dat de minder ingrijpende maatregel van het niet gebruiken van ladders reeds was meegenomen in het plan B, en dat de generieke aanpak van de reductie uitvoerbaar en handhaafbaar is. De Afdeling vond geen sprake van disproportionele benadeling van appellant, mede omdat hij reeds compensatie had ontvangen voor eerdere beperkingen en de omzet van schubvisvangst sinds 2014 was gestegen.
Ten slotte werd vastgesteld dat de inmenging in het eigendomsrecht van appellant proportioneel is en dat artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM niet is geschonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning met 85% reductie bevestigd.