ECLI:NL:RVS:2019:3973
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- B.J. Schueler
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bewonersvergunning wegens stallingsplaats zonder belangenafweging luchtkwaliteit
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bewonersvergunning van appellant in omdat hij beschikte over een stallingsplaats in een nabijgelegen parkeergarage. De rechtbank Amsterdam verklaarde het bezwaar gegrond wegens onvoldoende motivering, met name het ontbreken van aandacht voor het aspect luchtkwaliteit.
In hoger beroep stelde het college dat artikel 37 van Pro de Parkeerverordening een dwingende regeling is die geen ruimte laat voor een belangenafweging, waaronder luchtkwaliteit. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dit en oordeelde dat het college terecht de vergunning introk omdat appellant over een stallingsplaats kan beschikken.
Appellant voerde aan dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden vanwege de extra kosten voor parkeren en opladen van zijn hybride auto. De Afdeling oordeelde dat de hardheidsclausule niet bedoeld is voor algemene belangen zoals luchtkwaliteit en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij ernstig afhankelijk is van een oplaadpaal nabij zijn woning.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep ongegrond, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep bij de rechtbank ongegrond verklaard. Tevens werd het latere besluit van het college vernietigd omdat het op de vernietigde uitspraak was gebaseerd.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard, het beroep van appellant afgewezen en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.