ECLI:NL:RVS:2019:3923
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens strijdige woningindeling zonder vergunning
Appellant is eigenaar van een pand dat oorspronkelijk bestond uit een woning en een bedrijfsruimte. Het college legde een last onder dwangsom op omdat appellant zonder vergunning zes woningen had gerealiseerd, wat in strijd was met het bestemmingsplan en de bouwvergunning van 1996. Appellant kreeg meerdere verlengingen om de situatie te legaliseren.
Appellant vroeg een vergunning aan voor twee woningen, die werd verleend, maar toezichthouders constateerden dat zes woningen aanwezig waren. Het college vorderde daarom de dwangsom van €25.000.
Appellant voerde aan dat het gebruik in overeenstemming was met de vergunning voor twee woningen en dat het college impliciet toestemming had gegeven voor het gebruik van zes woningen. De Afdeling oordeelde dat de last onder dwangsom ongewijzigd bleef en dat alleen terugbrengen naar de situatie van 1996 (één woning) de dwangsom kon voorkomen. De aanwezigheid van zes woningen was in strijd met het bestemmingsplan en de verleende vergunning.
Verder werd geoordeeld dat het college terecht tot invordering kon overgaan, omdat het belang van handhaving zwaarwegend is en geen bijzondere omstandigheden waren om af te zien van invordering. Het beroep op overgangsrecht en bouwovergangsrecht slaagde niet.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom van €25.000 wordt bevestigd.