ECLI:NL:RVS:2019:3828
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar handhavingsverzoek tegen TenneT
Appellant verzocht de ministers om preventief handhavend op te treden tegen TenneT, zodat TenneT overgaat tot verwerving van zijn bedrijf. De ministers reageerden dat handhaving niet meer aan de orde was en beschouwden het verzoek als afgedaan. Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de rechtbank ten onrechte geen proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter beschikking had gesteld, onvoldoende had gemotiveerd waarom artikel 8:86 Awb Pro werd toegepast, en dat relevante stukken ontbraken. Deze betogen faalden, behalve dat de Afdeling oordeelde dat de brief van 18 juli 2018 wel als besluit moet worden aangemerkt en het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 10 oktober 2018, verklaarde het bezwaar ongegrond en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens veroordeelde zij de ministers in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
De Afdeling benadrukte dat de plantoelichting geen juridisch bindende norm bevat en dat de inhoudelijke geschilpunten tussen appellant en TenneT niet aan de orde zijn in deze procedure over handhaving. De ministers hebben het verzoek om handhaving terecht afgewezen omdat er geen overtreding van een bindende norm is vastgesteld.
Uitkomst: Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 juli 2018 wordt ongegrond verklaard en het hoger beroep gegrond verklaard, waarbij eerdere besluiten worden vernietigd.