ECLI:NL:RVS:2019:3740
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen intrekking horecavergunning wegens gebrek aan belanghebbende
Bij besluit van 19 oktober 2017 heeft de burgemeester van Amsterdam de aan een vennootschap verleende vergunning voor exploitatie van een horecabedrijf ingetrokken, na een negatief Bibob-advies wegens verdenkingen van strafbare feiten door leidinggevenden. De vennootschap stelde beroep in, dat door de rechtbank werd afgewezen. Appellant, voormalig bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap, stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De burgemeester voerde aan dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de vennootschap was ontbonden en opgehouden te bestaan, waardoor appellant geen belanghebbende was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant geen rechtsopvolger is en geen eigen rechtstreeks belang heeft bij het besluit. De aansprakelijkheid voor schulden van de vennootschap volgt niet uit rechtsopvolging, maar uit hoofdelijke medeschuldverbintenis met andere partijen.
Daarom kan het hoger beroep niet aan appellant worden toegerekend en is het niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 6 november 2019 uitgesproken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtstreeks belang van appellant.