Uitspraak
Datum uitspraak: 6 november 2019
BESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Raad van State
Het college verleende op 18 mei 2017 een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een bouwwerk en het veranderen van een inrichting ten behoeve van een pluimveehouderij te Leveroy. De vergunninghouder exploiteert een pluimveebedrijf met duizenden kippen. Appellant, woonachtig tegenover het bedrijf, voerde bezwaar aan tegen het besluit en stelde dat het college onjuiste geluidrichtwaarden hanteerde, onvoldoende geluidreducerende maatregelen voorschreef en dat er sprake was van trillinghinder door vrachtwagens.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht het omgevingstype 'rustige woonwijk, weinig verkeer' hanteerde in plaats van 'landelijke omgeving', en dat de geluidvoorschriften concreet en handhaafbaar zijn, waaronder het niet gebruiken van de oprit tegenover appellant in de nacht en het plaatsen van geluidsschermen.
Daarnaast concludeerde de Afdeling dat de geluidmetingen en het akoestisch model representatief zijn en dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat de bronvermogens onjuist zijn. Ook is trillinghinder niet aannemelijk gemaakt; geluiddeskundigen stelden dat stilstaande vrachtwagens geluid veroorzaken maar geen trillingen. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het oordeel dat het college terecht geluidvoorschriften heeft vastgesteld en dat trillinghinder onvoldoende is aangetoond.