ECLI:NL:RVS:2019:3526
Raad van State
- Verschoning
- C.J. Borman
- E. Helder
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek tot verschoning van staatsraad vanwege mogelijke vooringenomenheid
In deze zaak heeft staatsraad De Moor-Van Vugt, lid van de meervoudige kamer die een hoger beroep behandelt, verzocht zich te mogen verschonen. Dit verzoek werd gedaan omdat een van de partijen hoogleraar is aan de Universiteit van Amsterdam, waar De Moor-Van Vugt zelf ook een nul-aanstelling als hoogleraar bestuursrecht heeft.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 8:15, waarin is geregeld dat rechters zich kunnen laten wraken bij omstandigheden die de rechterlijke onpartijdigheid kunnen schaden.
Gezien de mogelijke schijn van vooringenomenheid acht de Afdeling het verzoek tot verschoning gegrond en wijst dit toe. Hiermee wordt de onpartijdigheid van de rechterlijke behandeling van het hoger beroep gewaarborgd.
De beslissing is genomen door voorzitter Borman en leden Helder en Van Eck, en uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2019.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van staatsraad De Moor-Van Vugt wordt toegewezen om schijn van vooringenomenheid te voorkomen.