ECLI:NL:RVS:2019:3522

Raad van State

Datum uitspraak
17 oktober 2019
Publicatiedatum
17 oktober 2019
Zaaknummer
201806601/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • E. Steendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 AwbArt. 6:19 lid 1 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen niet-ontvankelijkverklaring verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde op 4 juli 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit op 8 augustus 2018 en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in. Vervolgens verklaarde de staatssecretaris op 20 september 2019 opnieuw de aanvraag niet-ontvankelijk.

De vreemdeling verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet uitgezet zou worden voordat op het hoger beroep en het beroep tegen het nieuwe besluit was beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet op voorhand aannemelijk was dat het besluit van 20 september 2019 in stand zal blijven en besloot daarom een voorlopige voorziening te treffen.

De staatssecretaris werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter E. Steendijk op 17 oktober 2019.

Uitkomst: De vreemdeling mag in Nederland blijven tijdens de behandeling van het hoger beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn verblijfsvergunningaanvraag.

Uitspraak

201806601/2/V3.
Datum uitspraak: 17 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [de vreemdeling] om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 8 augustus 2018 in zaak nr. NL18.12527 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 4 juli 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 8 augustus 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 20 september 2019 heeft de staatssecretaris opnieuw de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet-ontvankelijk verklaard.
Het hiertegen door de vreemdeling bij de rechtbank ingestelde beroep en ingediende verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, heeft de griffier van de rechtbank ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat is beslist op het door de staatssecretaris ingestelde hoger beroep en het beroep tegen het besluit van 20 september 2019, dat ingevolge artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb, bij die beoordeling wordt betrokken.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, is niet op voorhand aannemelijk dat het besluit van 20 september 2019 in stand zal blijven. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling de behandeling van het hoger beroep en het beroep tegen het besluit van 20 september 2019 in Nederland mag afwachten;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.
w.g. Steendijk    w.g. Van Leeuwen
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2019
373-907.