ECLI:NL:RVS:2019:344
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeldigverklaring rijbewijs na alcoholmisbruik door CBR
Appellant is op 1 mei 2016 staande gehouden met een ademalcoholgehalte van 2,197 ‰, waarna het CBR op 31 mei 2017 zijn rijbewijs ongeldig verklaarde. Een psychiatrisch onderzoek concludeerde alcoholmisbruik in ruime zin, waarop het CBR zijn besluit baseerde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het besluit.
In hoger beroep voerde appellant meerdere verweren aan, waaronder het ontbreken van een reactiemogelijkheid op het rapport, het niet betrekken van alle relevante omstandigheden en de innerlijke tegenstrijdigheid van het rapport. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze bezwaren, stelde vast dat appellant wel degelijk kon reageren, dat het toetsingskader juist werd toegepast en dat het CBR terecht alle relevante feiten meenam.
De Afdeling benadrukte dat de bestuursrechtelijke procedure gericht is op verkeersveiligheid en losstaat van de strafrechtelijke sanctie. Ook het feit dat appellant inmiddels een bromfietsrijbewijs heeft en onberispelijk rijgedrag vertoonde, maakte het besluit niet onrechtmatig. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs wordt bevestigd.