ECLI:NL:RVS:2019:3418
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering ontgrondingenvergunning voor waterplas in strijd met bestemmingsplan bevestigd
Appellant heeft zonder vergunning circa 4.680 m³ grond ontgraven voor de aanleg van een waterplas op agrarisch grasland. Het college van gedeputeerde staten van Utrecht legde een last onder dwangsom op en weigerde later de vergunningaanvraag omdat de ontgronding in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied Woudenberg 2010/2013" en geen vrijstelling van vergunningplicht geldt op grond van de Ontgrondingenverordening 2001.
Appellant voerde aan dat de ontgronding onder een vrijstelling viel en niet in strijd was met het bestemmingsplan. De Afdeling oordeelde dat de locatie niet voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden omdat het weiland geen tuin of erf is. Bovendien maken zowel het bestemmingsplan 1995 als 2010/2013 geen aanleg van waterplassen mogelijk op het perceel. Er was geen verwachting dat de strijdigheid met het bestemmingsplan zou worden opgeheven.
Verder faalde het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat geen concrete en ondubbelzinnige toezegging was gedaan door het college en appellant niet aannemelijk had gemaakt dat een melding van ontgronding was gedaan. Ook was het beroep tegen de last onder dwangsom van 2015 niet aan de orde in deze procedure.
De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de ontgrondingenvergunning wordt ongegrond verklaard.