ECLI:NL:RVS:2019:3335

Raad van State

Datum uitspraak
2 oktober 2019
Publicatiedatum
2 oktober 2019
Zaaknummer
201904096/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 5 juli 2017 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 15 november 2018 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 29 april 2019 het beroep ongegrond verklaarde.

De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep bevatte geen nieuwe vragen die relevant zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, waardoor het hoger beroep kennelijk ongegrond werd verklaard.

De Afdeling bevestigde daarmee het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder voorzitterschap van mr. A.W.M. Bijloos op 2 oktober 2019.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201904096/1/V1.
Datum uitspraak: 2 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 april 2019 in zaak nr. 18/9512 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 15 november 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 april 2019 heeft de rechtbank het ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.P.G. Willemse-Schoenmakers, advocaat te Ulft, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank (zie de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3146). Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).
2.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Helmich, griffier.
w.g. Bijloos    w.g. Helmich
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2019
827.