ECLI:NL:RVS:2019:3335
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 5 juli 2017 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 15 november 2018 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 29 april 2019 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep bevatte geen nieuwe vragen die relevant zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, waardoor het hoger beroep kennelijk ongegrond werd verklaard.
De Afdeling bevestigde daarmee het vonnis van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder voorzitterschap van mr. A.W.M. Bijloos op 2 oktober 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.