ECLI:NL:RVS:2019:3287

Raad van State

Datum uitspraak
27 september 2019
Publicatiedatum
30 september 2019
Zaaknummer
201906110/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:81 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:83 lid 3 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit vreemdeling

De vreemdeling had bij de staatssecretaris een aanvraag ingediend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 om te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft. Dit verzoek werd bij besluit van 13 december 2018 afgewezen. Tegen dit besluit maakte de vreemdeling bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard op 14 februari 2019. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, die dit bij mondelinge uitspraak van 15 juli 2019 ongegrond verklaarde.

Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat het hoger beroep is beslist. Tijdens de zitting gaf de staatssecretaris de garantie dat de vreemdeling niet zal worden uitgezet indien niet kan worden voldaan aan de door het Bureau Medische Advisering gestelde reisvoorwaarden.

Gezien de belangen van beide partijen en de gegeven garanties achtte de voorzieningenrechter het niet noodzakelijk een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd daarom afgewezen en de staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting werd afgewezen.

Uitspraak

201906110/2/V3.
Datum uitspraak: 27 september 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoekster,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 15 juli 2019 in zaak nr. 19/1881 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 13 december 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
Bij besluit van 14 februari 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 15 juli 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist.
2.    Ter zitting van de rechtbank heeft de staatssecretaris gegarandeerd dat de vreemdeling niet zal worden uitgezet als niet kan worden voldaan aan de reisvoorwaarden die door het Bureau Medische Advisering in zijn advies van 14 november 2018 zijn gesteld. Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdeling naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter daarom geen voorlopige voorziening.
3.    Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Troostwijk    w.g. Van Laar
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 september 2019
551.