ECLI:NL:RVS:2019:3287
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit vreemdeling
De vreemdeling had bij de staatssecretaris een aanvraag ingediend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 om te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft. Dit verzoek werd bij besluit van 13 december 2018 afgewezen. Tegen dit besluit maakte de vreemdeling bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard op 14 februari 2019. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, die dit bij mondelinge uitspraak van 15 juli 2019 ongegrond verklaarde.
Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat het hoger beroep is beslist. Tijdens de zitting gaf de staatssecretaris de garantie dat de vreemdeling niet zal worden uitgezet indien niet kan worden voldaan aan de door het Bureau Medische Advisering gestelde reisvoorwaarden.
Gezien de belangen van beide partijen en de gegeven garanties achtte de voorzieningenrechter het niet noodzakelijk een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek werd daarom afgewezen en de staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting werd afgewezen.