ECLI:NL:RVS:2019:3267
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek vergoeding griffierecht en dwangsom in Wob-procedure
In deze zaak heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het niet vergoeden van het door hem betaalde griffierecht en het niet toekennen van een dwangsom door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het verzoek tot vergoeding van griffierecht had betrekking op procedures in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
Het college had bij brieven van 6 juni 2017 medegedeeld niet tot vergoeding van het griffierecht en geen dwangsom verschuldigd te zijn. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en het college had de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard omdat de brieven geen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waren.
Appellant voerde aan dat het verzoek om vergoeding als een aanvraag in de zin van de Awb moest worden gezien en dat de bestuursrechter bevoegd was om hierover te oordelen. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt echter dat het verzoek niet gericht is op het nemen van een besluit, zodat de Awb niet van toepassing is en er geen beroep openstaat.
De Afdeling bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.