ECLI:NL:RVS:2019:3141
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf
De vreemdeling heeft bij besluit van 3 juli 2018 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris is afgewezen. Tegen deze afwijzing werd bezwaar gemaakt, dat eveneens ongegrond werd verklaard bij besluit van 30 januari 2019. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, die dit beroep op 17 mei 2019 ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij de beoordeling van het hoger beroep stelde de Afdeling vast dat de vreemdeling niet heeft toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.
Op grond van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De staatssecretaris is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten. De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd beroepschrift.