ECLI:NL:RVS:2019:2973

Raad van State

Datum uitspraak
30 augustus 2019
Publicatiedatum
30 augustus 2019
Zaaknummer
201808047/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArtikel 15 Richtlijn 2011/95/EUArtikel 91 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing van besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 3 februari 2017 een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl de vreemdeling incidenteel hoger beroep instelde. Op 6 mei 2019 wees de staatssecretaris opnieuw een afwijzend besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond was en het incidenteel hoger beroep ongegrond. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 6 mei 2019, omdat de grondslag voor dat besluit was komen te vervallen. De zaak werd terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling met inachtneming van de overwegingen van de Afdeling. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

201808047/1/V2.
Datum uitspraak: 30 augustus 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:
1.    de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
2.    [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 september 2018 in zaak nr. 17/4844 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 3 februari 2017 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 7 september 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.A. Nijland, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 6 mei 2019 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.
De vreemdeling heeft hiertegen gronden aangevoerd.
Voorts heeft de vreemdeling een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.    De in grief 4 in het hogerberoepschrift van de staatssecretaris opgeworpen rechtsvraag over de rol van individuele omstandigheden bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU (PB 2011, L 337) heeft de Afdeling bij uitspraak van 18 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2489, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de grief slaagt.
2.    Wat de staatssecretaris voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking.
3.    Het incidenteel hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000).
4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond en het incidenteel hoger beroep is kennelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld met inachtneming van wat hiervoor is overwogen.
5.    Het besluit van 6 mei 2019 wordt ingevolge artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb, in de beoordeling betrokken. Uit 4. volgt dat aan dit besluit, dat ter uitvoering van de vernietigde uitspraak is genomen, de grondslag is komen te ontvallen.
Het besluit wordt daarom vernietigd.
6.    De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid gegrond;
II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 7 september 2018 in zaak nr. 17/4844;
IV.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;
V.    vernietigt het besluit van 6 mei 2019, V-nummer […].
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.
w.g. Van Eck    w.g. Bosma
lid van de enkelvoudige kamer    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2019
572-894.