ECLI:NL:RVS:2019:2969
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank en verwijzing beroep in vreemdelingenzaak
Bij besluit van 9 maart 2016 wees de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat in april 2018 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond en vernietigde het bezwaarbesluit, met opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat het hoger beroep kennelijk ongegrond was en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Het beroep tegen het nieuwe bezwaarbesluit van 13 februari 2019 werd naar de rechtbank verwezen voor verdere behandeling.
De Afdeling veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op €512,00, en legde een griffierecht van €508,00 op. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van A.J.C. de Moor-van Vugt op 29 augustus 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt afgewezen en het beroep tegen het bezwaarbesluit van februari 2019 wordt terugverwezen naar de rechtbank.