ECLI:NL:RVS:2019:2962
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring op grond van Dublinverordening bevestigd
De vreemdeling, van Libische nationaliteit, werd op 3 juni 2019 overgedragen aan Frankrijk op grond van de Dublinverordening. Twee dagen later werd hij opnieuw in Nederland aangetroffen en in vreemdelingenbewaring gesteld op basis van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en de bewaring opgeheven, met toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat er wel degelijk concrete aanknopingspunten voor overdracht waren en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdeling zijn wens om internationale bescherming had prijsgegeven. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris niet had gekozen voor een terugkeerprocedure zoals bedoeld in artikel 24, vierde lid, van de Dublinverordening, maar Frankrijk had gevraagd de vreemdeling terug te nemen.
Hierdoor bestonden op het moment van inbewaringstelling concrete aanknopingspunten voor overdracht en was de bewaring terecht opgelegd. De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is gegrond verklaard en het beroep tegen de bewaring ongegrond verklaard.