ECLI:NL:RVS:2019:293
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De vreemdeling heeft tegen het besluit van de staatssecretaris om haar geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, beroep ingesteld. De rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond. De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat zij onvoldoende had onderbouwd dat er voldoende invulling werd gegeven aan het gezinsleven tussen haar minderjarige kinderen en hun vader.
De Raad van State constateerde dat de staatssecretaris onzorgvuldig had gehandeld door informatie over het gezinsleven die bij hem bekend was niet aan de rechtbank te overleggen. Deze informatie toonde aan dat er tussen december 2016 en oktober 2017 voldoende invulling werd gegeven aan het gezinsleven, en dat dit na oktober 2017 voortduurde.
Hierdoor was de rechtbank onjuist geïnformeerd, wat de beoordeling van het gezinsleven beïnvloedde. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming van de juiste informatie.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op € 512,00, toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling.