ECLI:NL:RVS:2019:2910
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid herziening en terugvordering huurtoeslag 2012 door Belastingdienst
De Belastingdienst/Toeslagen stelde bij besluit van 9 juni 2017 de huurtoeslag van appellant over 2012 vast op €281 en vorderde €1.487 terug. Dit volgde op nieuw verkregen informatie dat het verzamelinkomen van appellant hoger was dan aanvankelijk aangenomen.
Appellant stelde dat de herziening in strijd was met artikel 20, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), omdat de Belastingdienst niet binnen acht weken na bekendwording van het gewijzigde inkomensgegeven had gehandeld. De Afdeling oordeelde echter dat de termijn pas aanving op 12 mei 2017, de datum van de aanslag, en dat het besluit van 9 juni 2017 dus binnen de termijn viel.
Verder voerde appellant aan dat de verrekening van terugvordering met voorschotten onrechtmatig was, omdat hij hierover niet was geïnformeerd en dat daardoor de terugvordering was verjaard. De Afdeling stelde dat uit het dossier blijkt dat de verrekening op 6 april 2012 heeft plaatsgevonden en dat artikel 24 van Pro de Invorderingswet niet van toepassing is op deze verrekening door de Belastingdienst. De terugvordering was derhalve bevoegd en niet verjaard.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2018. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De herziening en terugvordering van de huurtoeslag 2012 door de Belastingdienst zijn rechtmatig en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.