ECLI:NL:RVS:2019:2883
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bestuurlijke boetes voor onttrekking woonruimte zonder vergunning in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellant A en appellante B ieder een bestuurlijke boete van €27.000,- op wegens het zonder vergunning onttrekken van woningen aan de woonruimtevoorraad. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en bevestigde de boetes. Appellant A en appellante B stelden in hoger beroep dat de woningen geen zelfstandige woonruimten zijn en dat de bed & breakfast-regeling van toepassing is, waardoor geen vergunning vereist zou zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de woonruimten wel zelfstandige woonruimten zijn, conform eerdere jurisprudentie. Omdat niemand op deze woonruimten in de basisregistratie personen stond ingeschreven, is niet voldaan aan de voorwaarde dat de hoofdbewoner als zodanig geregistreerd moet zijn. Hierdoor is sprake van een overtreding van de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016.
Verder is geoordeeld dat de vergunningplicht een proportionele maatregel is die het eigendomsrecht niet onnodig beperkt, en dat het college terecht de boetes heeft opgelegd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en bijzondere omstandigheden wordt verworpen. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de bestuurlijke boetes van €27.000,- wegens het zonder vergunning onttrekken van zelfstandige woonruimten aan de bestemming tot bewoning.