ECLI:NL:RVS:2019:2858
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken inhoudelijke gronden tegen uitzettingsbesluit
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 28 mei 2019 een besluit genomen waarbij de vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod werd opgelegd. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 11 juli 2019 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de behandeling van het hoger beroep bleek dat de vreemdeling geen inhoudelijke gronden aanvoerde waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. Hierdoor kon de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep.
Op grond van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 werd het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard. De staatssecretaris is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer, bestaande uit lid N. Verheij en griffier M.T. Annen, op 23 augustus 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van inhoudelijke gronden.