ECLI:NL:RVS:2019:2694
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- J. de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing dwangsom bij Wob-verzoek inzake gemeentelijke belastingen
Appellant diende op 3 april 2014 een Wob-verzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van Westerveld inzake gemeentelijke belastingen. Na uitblijven van een tijdige beslissing stelde appellant het college op 28 juni 2014 in gebreke en verzocht om uitbetaling van een dwangsom. Het college weigerde dit op 15 oktober 2014 en verklaarde het bezwaar ongegrond op 26 februari 2018.
De rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 12 oktober 2018 dat appellant een Wob-verzoek had ingediend en dat het college tijdig had beslist met de brief van 9 juli 2014, zodat geen dwangsom verschuldigd was. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overweegt dat het niet uitmaakt of de inhoud van het besluit juist is, maar dat het college tijdig heeft gereageerd binnen de wettelijke termijn na ingebrekestelling. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt dat het college geen dwangsom verschuldigd is omdat tijdig is beslist op het Wob-verzoek.