ECLI:NL:RVS:2019:2604
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- E. Steendijk
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf in kader van nareis
De vreemdeling, met de Somalische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij zijn vermeende biologische moeder, die een verblijfsvergunning asiel bezit. De staatssecretaris wees de aanvraag af op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, omdat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat hij feitelijk tot het gezin van de referent behoorde.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris het gewijzigde beleid niet correct had toegepast en dat hij niet had beoordeeld of er sprake was van een uitzonderlijke situatie waarin de feitelijke gezinsband was verbroken. De rechtbank vernietigde het besluit en gaf de staatssecretaris gelegenheid het gebrek te herstellen, wat niet gebeurde, waarna het beroep gegrond werd verklaard.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat hij nooit was uitgegaan van een biologische band en dat de vreemdeling de feitelijke gezinsband niet aannemelijk had gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de vreemdeling geen aanvullende informatie had verstrekt over de gezinsband en dat het gewijzigde beleid niet van toepassing was. Daarom werd het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank vernietigd.