ECLI:NL:RVS:2019:2582

Raad van State

Datum uitspraak
26 juli 2019
Publicatiedatum
26 juli 2019
Zaaknummer
201904857/2/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet Centraal Orgaan opvang asielzoekers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdeling in hoger beroep verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 21 mei 2019 niet in behandeling werd genomen. Hiertegen stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 18 juni 2019 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep en verzocht tegelijkertijd de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat de vreemdeling tijdens de behandeling van het hoger beroep niet mocht worden overgedragen en dat hij gedurende deze periode opvang en verstrekkingen moest ontvangen op grond van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Dit verzoek werd toegewezen, mede gelet op een eerdere uitspraak van 20 februari 2019.

Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot het betalen van proceskosten aan de vreemdeling, ter hoogte van €512,00, welke volledig toerekenbaar waren aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd op 26 juli 2019 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: De vreemdeling wordt niet overgedragen totdat op het hoger beroep is beslist en de staatssecretaris moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

201904857/2/V3.
Datum uitspraak: 26 juli 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 18 juni 2019 in zaak nr. NL19.11780 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 21 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 18 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de vreemdeling de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.    De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij niet wordt overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat hem gedurende die periode opvang en verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers worden geboden.
2.    Gelet op wat is aangevoerd, komt het verzoek, in het licht van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457, op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.
3.    De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling niet wordt overgedragen totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
w.g. Hoogvliet    w.g. Bechinka
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2019
371.