ECLI:NL:RVS:2019:2497
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 16 augustus 2018 de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod opgelegd. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris.
De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 11 juni 2019 het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en de besluiten van 16 augustus 2018 en 2 november 2018 vernietigd. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij in afwachting van het hoger beroep geen nieuw besluit hoefde te nemen.
De voorzieningenrechter overwoog dat het intrekkingsbesluit geen aanvraagbesluit was en dat de herroeping door de rechtbank niet leidde tot een verplichting voor de staatssecretaris om een nieuw besluit te nemen. Hierdoor ontbrak een spoedeisend belang voor het verzoek. Omdat de staatssecretaris geen ander spoedeisend belang had gesteld, werd het verzoek afgewezen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.