ECLI:NL:RVS:2019:2497

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2019
Publicatiedatum
22 juli 2019
Zaaknummer
201905185/2/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 16 augustus 2018 de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod opgelegd. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris.

De rechtbank Den Haag heeft bij uitspraak van 11 juni 2019 het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en de besluiten van 16 augustus 2018 en 2 november 2018 vernietigd. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij in afwachting van het hoger beroep geen nieuw besluit hoefde te nemen.

De voorzieningenrechter overwoog dat het intrekkingsbesluit geen aanvraagbesluit was en dat de herroeping door de rechtbank niet leidde tot een verplichting voor de staatssecretaris om een nieuw besluit te nemen. Hierdoor ontbrak een spoedeisend belang voor het verzoek. Omdat de staatssecretaris geen ander spoedeisend belang had gesteld, werd het verzoek afgewezen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

201905185/2/V1.
Datum uitspraak: 22 juli 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 juni 2019 in zaak nr. 18/9052 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 16 augustus 2018 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij besluit van 2 november 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen de intrekking, niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de besluiten van 16 augustus 2018 en 2 november 2018 vernietigd (lees: het besluit van 2 november 2018 vernietigd, het besluit van 16 augustus 2018 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit).
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.    Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak op zijn hoger beroep geen nieuw besluit hoeft te nemen.
2.    Het besluit van 16 augustus 2018 is geen op aanvraag van de vreemdeling genomen besluit. De herroeping van dat besluit door de rechtbank brengt daarom niet met zich dat op de staatssecretaris de verplichting rust om een nieuw besluit te nemen. Daarom ontbreekt in zoverre een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Awb.
3.    Omdat de staatssecretaris enig ander spoedeisend belang niet heeft gesteld, wordt het verzoek afgewezen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.    wijst het verzoek af;
II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt    w.g. Schuurman
voorzieningenrechter    griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2019
282.