ECLI:NL:RVS:2019:2421
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel vreemdeling
In deze zaak is aan een vreemdeling op 16 april 2019 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, die op 17 april 2019 is beëindigd. De vreemdeling heeft vervolgens beroep ingesteld tegen deze maatregel en daarnaast de rechtbank verzocht de staatssecretaris te veroordelen tot betaling van proceskosten. De rechtbank wees het verzoek om proceskostenveroordeling af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 tegen een vrijheidsbeperkende maatregel geen hoger beroep openstaat. Het feit dat in de uitspraak van de rechtbank ten onrechte staat dat wel hoger beroep mogelijk is, verandert hier niets aan. Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Daarnaast is geoordeeld dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2019.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel en wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.