ECLI:NL:RVS:2019:2332
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen besluit spoedeisende bestuursdwang wegens verkeerd aanbieden huishoudelijk afval
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 14 mei 2018 spoedeisende bestuursdwang toegepast wegens het verkeerd aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door appellant. Bij besluit van 24 mei 2018 werd dit schriftelijk bevestigd en werden de kosten (€126,00) aan appellant toegerekend.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat het college de beslistermijn had overschreden en dat hij niet de overtreder was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de beslistermijn van het college niet was overschreden omdat deze was verlengd en het besluit binnen de termijn was genomen.
Verder stelde appellant dat hij niet degene was die de afvaldoos naast de container had geplaatst. De Raad van State volgde het college dat de afvalstoffen konden worden herleid tot appellant en dat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet de overtreder was. De enkele stelling dat hij post in een volle container had gestopt en niet wist hoe de post in de doos was gekomen, was onvoldoende.
De Raad van State verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot spoedeisende bestuursdwang wegens verkeerd aanbieden van afval wordt ongegrond verklaard.