ECLI:NL:RVS:2019:2193
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Handhaving bootoversteek openbaar water te Almere afgewezen na bezwaar en hoger beroep
Het college van burgemeester en wethouders van Almere wees een handhavingsverzoek af tegen het uitsteekgedeelte van een boot over het openbaar water bij een steiger met bootlift. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, waarna het college alsnog handhavend optreden gelastte. De eigenaar van de boot stelde hoger beroep in tegen deze beslissing.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het college bevoegd is tot handhaving en dat de overtreding van artikel 5:19 van Pro de Algemene plaatselijke verordening (Apv) niet gering is, aangezien de boot tot ruim 1 meter over het water uitsteekt, wat ruim 20% van de bootlengte betreft. Het belang van handhaving, waaronder het voorkomen van precedentwerking en bescherming van de veiligheid op het openbaar water, weegt zwaarder dan het belang van de eigenaar bij het behoud van de situatie.
Het beroep van de eigenaar op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb faalde omdat de Apv mede strekt tot bescherming van het belang van de buurman die gebruikmaakt van het openbaar water. Het college werd tevens veroordeeld tot betaling van een dwangsom wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Het hoger beroep van de eigenaar werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de eigenaar wordt ongegrond verklaard en handhaving van de bootoversteek gelast.