ECLI:NL:RVS:2019:2192
Raad van State
- Tussenuitspraak bestuurlijke lus
- C.H.M. van Altena
- G.T.J.M. Jurgens
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Minister moet besluit over schadevergoeding woningwaardevermindering door aanleg A74 heroverwegen
Appellant, eigenaar van een woning nabij de A73-Zuid, verzocht de minister van Infrastructuur en Waterstaat om schadevergoeding wegens waardevermindering van zijn woning door het Tracébesluit Rijksweg A74. De minister wees het verzoek meerdere malen af, waarna appellant beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde dit deels, vernietigde het besluit en gaf aanwijzingen voor een nieuw besluit.
In het bestreden besluit baseerde de minister zich op een advies van de Schadecommissie Rijkswaterstaat en een taxatierapport waarin werd geconcludeerd dat de waardevermindering lager was dan 2% van de woningwaarde en binnen het normale maatschappelijke risico viel. Appellant voerde aan dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de toegenomen geluidoverlast in de tuin, geen deugdelijke planologische vergelijking had gemaakt en onterecht een hogere drempel voor het normale maatschappelijke risico hanteerde dan in vergelijkbare gevallen.
De Afdeling oordeelde dat het taxatierapport onvolledig was door een onjuiste omschrijving van de tuin, waardoor de planologische vergelijking onvoldoende deugdelijk was. Ook was de motivering over de omvang van de schade en het normale maatschappelijke risico onvoldoende, met name omdat de minister geen rechtvaardiging gaf voor het hanteren van een hogere drempel dan in vergelijkbare gevallen. Daarom is het besluit in strijd met het motiveringsbeginsel en moet het worden herzien.
De Afdeling draagt de minister op binnen dertien weken het besluit te herstellen met inachtneming van de aanwijzingen, waaronder het inschakelen van een deskundige die een juiste planologische vergelijking maakt en de schade en het normale maatschappelijke risico adequaat beoordeelt. In de einduitspraak zal ook worden beslist over proceskosten en een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Uitkomst: Het besluit van de minister wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen het besluit binnen dertien weken te herzien met betere motivering en een juiste planologische vergelijking.