ECLI:NL:RVS:2019:2184
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- C.H.M. van Altena
- G.T.J.M. Jurgens
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens waardevermindering woning door aanleg A74 en aanpassing A73-Zuid
De appellant verzocht de minister van Infrastructuur en Waterstaat om schadevergoeding op grond van artikel 22 van Pro de Tracéwet vanwege waardevermindering van zijn woning nabij de A73-Zuid door de aanleg van de A74 en aanpassingen aan de A73-Zuid. Na meerdere besluiten en rechtsprocedures werd het verzoek telkens afgewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaf in eerdere uitspraken aanwijzingen over het te volgen proces, waaronder het inwinnen van deskundigenadvies en het maken van een planologische vergelijking tussen het oude en nieuwe regime.
De minister baseerde het besluit op een advies van de Schadecommissie Rijkswaterstaat en een taxatierapport van Meander Grondverwerving en Advies. Hieruit bleek dat de planologische verandering per saldo leidde tot een lichte waardevermindering van minder dan 2% van de woningwaarde, wat binnen het normale maatschappelijke risico valt. De appellant voerde aan dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met verschillende schadefactoren en buitenshuis geluidoverlast, en dat de waardering niet deugde.
De Raad van State oordeelde dat het deskundigenadvies en de taxatie niet onbegrijpelijk waren en dat de minister zich in redelijkheid op deze stukken kon baseren. De planologische vergelijking en waardering van schadefactoren voldeden aan de eisen. De waardevermindering viel onder het forfait van 2% en daarmee onder het normale maatschappelijke risico. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn van vier jaar voor de procedure met vier maanden was overschreden, waarvoor de minister een vergoeding van €500 aan de appellant moest betalen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €55,70.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding wordt ongegrond verklaard; wel wordt een vergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.