ECLI:NL:RVS:2019:208
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke motivering
De staatssecretaris heeft op 31 januari 2017 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf van vier vreemdelingen afgewezen. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank Den Haag werd het besluit gehandhaafd. De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de staatssecretaris een nieuwe vaste gedragslijn volgt bij de beoordeling van nareisaanvragen. In dit geval bleek uit het besluit niet dat de staatssecretaris onofficiële documenten heeft betrokken bij de beoordeling van de identiteit en familierelatie van de vreemdelingen met de referent, zoals vereist volgens die gedragslijn.
Hierdoor is de motivering van het besluit ondeugdelijk. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het bestreden vonnis en het besluit van 2 november 2017 en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de vreemdelingen zijn bericht voorlopig af te zien van betaling.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering.