ECLI:NL:RVS:2019:207
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ondeugdelijke motivering
De staatssecretaris heeft op 31 januari 2017 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen en het bezwaar van de vreemdeling hiertegen op 2 november 2017 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 20 april 2018 ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris niet had voldaan aan zijn nieuwe vaste gedragslijn, zoals vastgesteld in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2018:1508), waarin werd bepaald dat onofficiële documenten betrokken kunnen worden bij de beoordeling van identiteit en familierelaties. De staatssecretaris had dit niet gemotiveerd in zijn besluit, waardoor de afwijzing ondeugdelijk was gemotiveerd.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 2 november 2017, en oordeelde dat het beroep gegrond is. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.536,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd.