ECLI:NL:RVS:2019:2037
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring en proceskostenvergoeding
Bij besluit van 5 februari 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De vreemdeling stelde beroep in tegen dit besluit bij de rechtbank Den Haag, die op 20 februari 2019 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep werd een klacht geuit over de digitale ondertekening van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verwees naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2019:1400) waarin deze kwestie was behandeld en concludeerde dat de klacht terecht was, maar dat dit niet tot vernietiging van de uitspraak leidde omdat de rechter en griffier bevestigden dat de uitspraak was ondertekend en de tekst identiek was aan de gedigitaliseerde versie.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, een bedrag van €512,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak werd op 27 juni 2019 in het openbaar uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met een proceskostenvergoeding aan de vreemdeling.