Uitspraak
Datum uitspraak: 19 juni 2019
BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad van State
Appellant is eigenaar van een perceel met een hoofd- en bijgebouw te Wageningen en wilde hier een bed and breakfast exploiteren. Het college verleende in 2016 een omgevingsvergunning voor de B&B, maar deze werd door de rechtbank vernietigd en later ingetrokken. Het college legde vervolgens in 2017 een preventieve last onder dwangsom op om het bijgebouw niet te gebruiken voor bewoning, vanwege strijd met het bestemmingsplan.
De rechtbank oordeelde dat appellant het bijgebouw wilde bewonen en dat voorzieningen zoals een keukenblok en douche dit ondersteunden. Appellant voerde aan dat hij zijn hoofdverblijf elders had en dat de voorzieningen bedoeld waren voor de B&B. Ook stelde hij dat het briefje aan de buren slechts een aankondiging was.
De Raad van State oordeelde dat het college niet bevoegd was de preventieve last op te leggen omdat het gevaar voor overtreding niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dreigde. Appellant had een omgevingsvergunning voor de B&B, woonde elders, en de aanwezigheid van voorzieningen was toegestaan. Het briefje aan de buren bood geen bewijs voor bewoning van het bijgebouw.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van het college, en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het besluit van het college en verklaart het hoger beroep gegrond omdat het gevaar voor overtreding niet klaarblijkelijk dreigde.