Uitspraak
Datum uitspraak: 19 juni 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter griffier
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Raad van State
De burgemeester van Breda legde op grond van artikel 13b van de Opiumwet een sluitingsbevel op voor een bedrijfsgebouw waar een handelshoeveelheid cocaïne was aangetroffen. De vennootschap exploiteerde een transportbedrijf en betwistte de sluiting, stellende dat zij niet wist van de drugs en het pand slechts kortstondig werd gebruikt voor opslag.
De rechtbank verklaarde het besluit tot sluiting gegrond, maar de vennootschap ging in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het sluitingsbevel een bestuurlijke maatregel is en geen strafrechtelijke sanctie, en bevestigde de bevoegdheid van de burgemeester tot sluiting bij aanwezigheid van handelshoeveelheid drugs.
Echter, de Raad van State stelde vast dat bijzondere omstandigheden, zoals het ontbreken van betrokkenheid van de vennootschap en het korte verblijf van de cocaïne in het pand, het besluit onevenredig maken. De burgemeester had onvoldoende gemotiveerd waarom een sluiting van twaalf maanden noodzakelijk was.
De Afdeling vernietigde het besluit en het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en herroept het sluitingsbesluit. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan de vennootschap.
Uitkomst: Het besluit tot sluiting van het pand wordt vernietigd en het beroep van de vennootschap gegrond verklaard.