ECLI:NL:RVS:2019:1929
Raad van State
- Hoger beroep
- A.W.M. Bijloos
- C.M. Wissels
- F.D. van Heijningen
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing invordering dwangsom wegens overtreding APV Amsterdam
Het algemeen bestuur legde aan een horecabedrijf een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 2.50 van de Amsterdamse Algemene Plaatselijke Verordening (APV), gericht op het verbod op het aanbieden van diensten op of aan de weg, waaronder het werven van klanten. Na constatering van overtreding op 1 april 2017 werd een dwangsom van €2.500 ingevorderd. Het bedrijf betaalde deze dwangsom en maakte bezwaar tegen de invordering, dat ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens verjaring van de invorderingsbevoegdheid na één jaar. De Raad van State oordeelde dat het bedrijf de dwangsom tijdig had betaald en dat de rechtbank dit niet had onderkend, waardoor het hoger beroep gegrond werd verklaard en het vonnis werd vernietigd.
De Raad van State behandelde vervolgens inhoudelijk het beroep en oordeelde dat het college terecht had vastgesteld dat de medewerker van het horecabedrijf actief klanten wierf, hetgeen een overtreding van de APV opleverde. De bezwaren van het bedrijf tegen de reikwijdte van het verbod werden niet aanvaard omdat het eerdere besluit onherroepelijk was geworden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Tot slot werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.024 en werd het griffierecht van €508 terugbetaald aan het bedrijf. De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van handhaving op overtreding van de APV en verduidelijkt de toepassing van verjaring en formele rechtskracht in bestuursrechtelijke dwangsomzaken.
Uitkomst: Het beroep tegen de invordering van de dwangsom wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.