ECLI:NL:RVS:2019:1921
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
Bij besluit van 3 januari 2018 wees de staatssecretaris een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na bezwaar en beroep verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarbij de staatssecretaris werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
De minister van Justitie en Veiligheid stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht de voorzieningenrechter van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de staatssecretaris geen nieuw besluit hoeft te nemen voordat het hoger beroep is beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het niet aannemelijk is dat de uitspraak van de rechtbank in stand zal blijven en gaf daarom de voorlopige voorziening toe. Hierdoor hoeft de staatssecretaris het nieuwe besluit niet te nemen totdat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 17 juni 2019 in het openbaar uitgesproken door voorzieningenrechter C.J. Borman.
Uitkomst: De staatssecretaris hoeft geen nieuw besluit te nemen totdat het hoger beroep is beslist.